Gezamenlijk Zondagsblad

Informeert en inspireert betrokken kerkmensen

 

Met enige regelmaat hoor ik mensen zeggen hoe slecht het is dat in onze tijd alles om geld lijkt te draaien. Zodanig zelfs, dat ziekenhuizen failliet kunnen gaan. Ik moet zeggen, dat ook ik er zo nu en dan niet goed van wordt. Heeft iemand een tennistoernooi gewonnen en wordt er verteld hoe hoog het prijzengeld is. Dat wil ik helemaal niet weten. Gaat een ambtenaar een paar weken naar het Caribisch gebied en vangt daarvoor 40.000 euro bovenop zijn toch al behoorlijk riante salaris. Zo kan ik nog lang doorgaan, zelfs zonder de hotelkosten van Melania Trump te noemen (zo’n 100.000 dollar trouwens voor het gebruik van een kamer voor een dag(deel). Krantenberichten als deze kun je maar beter niet lezen denk ik. Je zou de hoop op een rechtvaardiger verdeling verliezen. En met de noodzaak van eerlijker, dan wel beter delen, word ik hier in Amsterdam zo’n beetje dagelijks geconfronteerd.

 

Het begint al met de methadonpost, ongeveer 5 minuten lopen verderop. Tegen de tijd, dat deze open gaat, heeft zich een bont en schilderachtig gezelschap in de omgeving verzameld. Voor een belangrijk deel oudere mannen lijkt het. Sommigen van hen beladen met plastic tassen, waar hun hele bezit waarschijnlijk in is geborgen.

 

Maar verder. De gebruikelijke verkopers van de straatkant – 2 euro voor hun inzet. Hier en daar een muzikant. Soms lijkt het een student die iets wil bijverdienen, maar vaker een kennelijk dakloze, die op deze manier het geld voor de opvang van de komende nacht bij elkaar probeert te krijgen. Het moeilijkst vind ik de ‘gewone’ bedelaars. In elkaar gedoken zitten ze tegen een muur – jong en ouder zijn ze. Vaak een bekertje in de hand, hopend op een bijdrage. Deze mensen passeren, zonder iets te geven, raakt het geweten des te meer. Behalve zitten, doe zij niets voor het verwerven van de schamele inkomsten. Soms tonen de gezichten duidelijke sporen van overmatig drankgebruik. Geven doe je/ik hen niet zo gauw. Waarvoor wordt het geld gebruikt? En toch, wanneer je zomaar voorbij loopt, voel je je schuldig. Hen niet aankijken – voor zover dat al mogelijk is – doe je niet zo snel. Maar iets geven ook niet en toch bekruipt je/me dan een licht schuldgevoel.

 

Het vinden van een begaanbare weg, een goede houding, een juist gedrag, is lastig. Zeker, wanneer je dan ook nog eens denkt aan de gelijkenis van ‘de arme Lazarus en de rijke man’. De bedelaar werd getolereerd aan de achterdeur van het huis van de rijke en scharrelde zijn kostje bijeen tussen de resten. Binnen was het elke dag feest.

 

Zou het kunnen zijn, dat ‘de moraal’ van dit verhaal is dat egoïsme verderfelijk is? ‘Ikke, ikke … is al gauw slaaf van ‘rupsje nooitgenoeg’. In ieder geval is duidelijk mijns inziens dat bij deze gelijkenis niet allereerst de vraag gesteld wordt hoeveel ik zou moeten geven en delen, maar eerder hoeveel ik voor mezelf mag gebruiken. Geld en bezit baas, of ik baas.